Activiteiten van De Diggers - Voorjaar 2001: prospectie van de Ieperse Zuiderring

Begin 2001 werden in Ieper de werken aangevat voor de aanleg van de Zuiderring. Dit is een deel van de ringweg, en dan meer bepaald vanaf de rotonde van de Rijselseweg (N336) nabij de Rijselpoort (ten zuiden van Ieper) tot aan de rotonde van de Kruiskalsijde (ten oosten van Ieper, op de Meenseweg (N8), ongeveer halfweg tussen Ieper-centrum en Bellewaarde). Vanaf daar is er via de N37b, in de bedding van de vroegere spoorlijn Ieper - Roeselare, aansluiting op de autoweg A19 Ieper - Kortrijk.

De lengte van deze nieuwe Zuiderring, die ondertussen sinds eind februari 2002 in gebruik genomen is, bedraagt ongeveer 2,1 km.

De werken hadden plaats in een gebied dat wat aanwezigheid van sporen van de Grote Oorlog betreft zeker niet oninteressant is : het oostelijk stuk van het tracé ligt immers vlak bij het beruchte HELLFIRE CORNER.

Tijdens W.O. I was de plaats van de huidige Kruiskalsijde-rotonde op de Meenseweg ook al een belangrijk wegenknooppunt. Duitse eenheden lagen op de hoger gelegen hellingen ten noordoosten tot ten zuidoosten, en hielden dit knooppunt constant in observatie. En het bleef uiteraard niet alleen bij observeren : deze plaats werd bijwijlen ook zwaar bestookt door de Duitse artillerie. Vandaar ook de naam Hellfire Corner. Er langer verblijven dan nodig was een hachelijke onderneming. Aan de noordrand van de Meenseweg waren door de troepen overigens camouflagenetten aangebracht om het verkeer te onttrekken aan de Duitse observatie.

De Duitse troepen zijn niet tot aan Hellfire Corner geraakt, tenzij dan bij de Vierde Slag om Ieper (Keizerslag, voorjaar 1918). Een demarcatiesteen op de rand van de rotonde getuigt daarvan. In het door onze groep geprospecteerde gebied, de oostelijke helft van het Zuiderring-tracé, hadden dus geen militaire operaties plaats. Wel lag deze plaats net zoals de omgeving onder zwaar en langdurig Duits vuur, en bevonden er zich halfweg het tracé ook Britse artillerie-eenheden die de Duitse troepen van antwoord dienden.

Fragment van een trenchmap met de posities juli 1918. De geel gekleurde strook is het oostelijke deel van het Zuiderring-tracé dat door onze groep geprospecteerd werd. In de rechterbovenhoek : het knooppunt van de Meenseweg (min of meer horizontaal), de spoorlijn Ieper - Roeselare, en de weg zuidelijk naar Zillebeke (huidige Maaldestedestraat).

De prospectie gebeurde met vergunning van het IAP (Instituut Archeologisch Patrimonium), en werd verricht op een tiental namiddagen tussen half maart en half mei 2001. Deze prospectie mocht alleen binnen het afgebakende wegtracé, of op de rand ervan. De totale oppervlakte van de geprospecteerde strook (ong. 1 km lang) bedroeg iets minder dan naar schatting 3 ha.

Wat hierna volgt is een overzicht van de voornaamste vondsten, op het gebied van munitie, constructies en stoffelijke resten.

1. MUNITIE

Op tal van plaatsen werden signalen opgevangen afkomstig van metaalscherven op de bodem van obusputten. Wegens de grote diepte werd in die gevallen niet gegraven, ook omdat in het eigenlijke wegtracé geen diepe kuilen mochten gegraven worden wegens gevaar voor de stabiliteit van de latere weg. Onder de voornaamste gevonden munitieresten vermelden wij : resten van 4 shrapnels (w.o. enkele Duitse met loden bolletjes), 2 Duitse obussen, 1 Britse 18-ponder, een tiental Britse 18-ponderhulzen.

De voornaamste vondst was een klein depot van acht 18-ponders (7 april 2001). Het cordiet (op een uitzondering na "spaghetti") stak nog in de hulzen. Uiteraard werd de munitie aan de overheid gesignaleerd en achteraf opgehaald door DOVO (Ontmijningsdienst).

Ongeveer een halve meter onder het reeds afgeschraapte wegtracé:

een klein depot van Britse artilleriemunitie.

18-ponder obus (boven), huls (de "douille", midden) en het cordiet of de "spaghetti" (de dunne kruitstaafjes van de drijflading in de huls)

2. ANDERE MATERIËLE VONDSTEN

Andere vondsten (meestal slechts wat er na een 85-jarig verblijf in de grond van overgebleven was) waren : 2 dwarsliggers van een decauvillespoor, telefoon- en andere kabels, buissegmenten van wat waarschijnlijk een afwateringssysteem was, golfijzerplaten (verschillende types), veldflessen, glasflessen, een gamel, een SRD-kruik.

Een Britse veldfles, met een glasfles en een brokstuk van een anderefles in situ.

Een SRD-kruik op de resten van de houten vloer. SRD staat voor Service Rum Distribution of Service Rum Department, soms ook geïnterpreteerd als Service Rum Diluted (aangelengd), maar de soldaten verkozen de humoristischer benaming Seldom Reaches Destination of Soldiers Run Dry.

Het rumrantsoen werd ingevoerd in de winter van 1914, als remedie tegen de gevolgen van de slechte weersomstandigheden en de koude. Het kwam in aarden kruiken van 1 gallon (ongeveer 4,5 liter).

Eén kruik per 64 man. In 1918 zou per man per week ongeveer 0,16 liter geconsumeerd zijn per soldaat. Voldoende om er dronken of opgezweept door te worden, zoals wel eens beweerd wordt ? Te betwijfelen …

3. KLEINE VERBANDPOST

Naar verluidt zou er zich tussen de noorderrand van het wegtracé en het vroegere spoorwegtalud een dug-out bevonden hebben. Er werden inderdaad resten van een ondergrondse constructie gevonden op een diepte van ongeveer 4 meter. Belangrijk was te achterhalen of een gang of delen ervan zich ook uitstrekten onder het wegtracé zelf, wat gevaar zou kunnen inhouden voor de wegstabiliteit. Niets wees er echter op dat dit zo was.

De exploratie wees er overigens op dat het niet om een dug-out ging, wel om resten van een kleine verbandpost, met 2 toegangen in het talud, en met waarschijnlijk 2 kamertjes.

Een groot deel van de houten constructie was blijkbaar al weggehaald op het einde van of na de oorlog, waardoor het onmogelijk was om de (overigens heel korte) gangen zonder risico te verkennen.

 

Net tussen wegtracé en spoorwegtalud (achter de aardewand rechts) komen op 4 april 2001, op ongeveer 3,50 meter diepte, de bovenbalken bloot te liggen van wat achteraf vermoedelijk een kleine verbandpost zou blijken te zijn.

De constructie blijkt al decennia geleden ontmanteld geweest te zijn, en verkenning van de gang is dan ook uitgesloten wegens instortingsgevaar.

Toch even rondscharrelen op de modderige bodem. Daar zal een duckboard blijken te liggen (40 cm breed, niet te recupereren) (14 april 2001).

Het vermoeden wat we te maken hebben met een kleine verbandpost wordt bevestigd wanneer op 23 april de resten aangetroffen worden van een draagberrie:

lengte 2,22 m (oorspronkelijke lengte : 2.45 m; 2 handvatten zijn immers afgebroken) ; breedte 0,57 m.

4. STOFFELIJKE RESTEN

Ten westen van Hellfire Corner waren er dus afgezien van de artilleriebeschietingen zeker geen vijandelijkheden. En het gebied was dan ook op ieder moment van de oorlog Brits. Dat er stoffelijke resten zouden aangetroffen worden, was dan ook eerder onwaarschijnlijk.

En toch werden op 3 april resten van twee Britse soldaten gevonden. Een bulldozer had tussen de noordrand van het wegtracé en spoorwegtalud, op 35 meter ten oosten van het zojuist vermelde ondergrondse dressing station, de graslaag afgegraven, waarbij resten gedeeltelijk kwamen bloot te liggen en eerder toevallig opgemerkt werden door een lid van onze groep. (Niet uitgesloten dat de nabijheid van het dressing station verklaart waarom de gesneuvelden begraven bleken.) De gebruikelijke procedure werd gestart, en de resten werd kort daarop verder opgegraven in aanwezigheid van de politie.

Het bleek om twee Britse soldaten te gaan. De bovenste lag op de rug, met de handen gevouwen onder het bekken. Er werden bij hem een jodiumampulle gevonden, stukjes uniform, een Britse patroon, een insigne, een lepel (zonder stamnummer- of regimentsinscriptie) en enkele knopen.

Onder hem lag een tweede Brits soldaat, op de linkerzijde, de benen half opgetrokken. Een klein verwrongen ringetje, een knoop, wat stukjes uniform waren de enige schamele bijvondsten. En een onvolledig schouderinsigne : van het Shropshire Regiment.

3 april 2001

Toevallig worden vlak bij de verbandpost de resten blootgelegd van 2 Britse soldaten.

De tweede (met opgetrokken knieën) blijkt een soldaat te zijn van het Shropshire Regiment.

Een insigne aangetroffen bij de eerste (bovenste) soldaat : van een verkenner (scout) van de Cavalry.

Verder onderzoek door de CWGC Ieper zou niks opleveren dat tot identificatie zou kunnen leiden. De resten werden 5 maand later bijgezet op het nabijgelegen Perth China Wall Cemetery, in de Maaldestedestraat, Zillebeke, op 6 september 2001.

Wanneer zijn deze twee Britse soldaten gesneuveld ?

Mevr. Annette Burgoyne (Ludlow, Shropshire, Verenigd Koninkrijk) is speciaal geïnteresseerd in het King's Shropshire Light Infantry Regiment, en contacteerde ons al spoedig nadat dit Zuiderring-artikel verschenen was. Hierbij publiceren we graag enkele fragmenten uit haar e-mails, waarin ze ons op de hoogte bracht van wat ze gevonden had over deze KSLI soldaat. Zij het begrijpelijkerwijze niet over zijn identiteit, dan toch over zijn bataljon en de periode waarin hij gesneuveld is. Uiteraard danken wij Mevr. Burgoyne heel hartelijk voor deze bijdrage.

Vier bataljons van het KSLI Regiment deden dienst nabij de huidige Zuiderring : het 1ste, 2de, 5de en 6de. In totaal zijn er precies 400 man van deze 4 bataljons die in het gebied gesneuveld zijn en die geen bekend graf hebben : 63 van het 1ste, 164 van het 2de, 171 van het 5de en 2 van het 6de bataljon. De kans is reëel dat de KSLI soldaat die door onze groep gevonden werd op 3 april 2001, tot het 5de bataljon behoorde, of misschien zelfs met nog meer waarschijnlijkheid tot het 2de bataljon.

Het 5de bataljon (171 man zonder bekend graf) deed dienst in dit gebied tussen 15 juni en 15 november 1915. Dit bataljon was ondersteunde een aanval op 16 juni. Bij het verlaten van de spoorwegbedding nabij Hell Fire Corner kwam het onder zwaar vuur te liggen en werd naar rechts afgeleid. Het bevel om zich terug te trekken bereikte de twee koppelotons van Compagnie A niet, en ze zetten hun weg verder, naar een verzonken weg (waarschijnlijk tussen Birr Crossroads en Witte Poort Farm, zowat 1400 meter ten oosten van waar de resten gevonden werden). De rest van het bataljon bereikte bij de terugtocht Gordon House en kwam daar onder zwaar artillerievuur te liggen. Het grootste deel van het bataljon kwam in de loopgraaf die voorbij Gordon House leidde. (Zie kaartje bij het begin van dit artikel.) In deze loopgraaf (ongeveer 200 meter ten westen van de plaats waar de resten aangetroffen werden) werd het zo druk, dat zich verder bewegen uitgesloten was.
Omstreeks 4 uur begon men zich terug te trekken, maar eigenlijk was daartoe geen bevel gegeven, en het was onmogelijk te achterhalen of het mondeling doorgegeven bevel officieel was. Vervolgens werd de loopgraaf opnieuw zwaar bestookt door de Duitse artillerie, en sommige manschappen die in het open veld op de vlucht sloegen, werden meteen door de vijand neergeschoten.

Was één van hen de soldaat die 86 jaar later zou gevonden worden, op 3 april 2001 ? Of ging het hier om een soldaat van het 2de bataljon, die de maand voordien gesneuveld was ?

Het 2de Bataljon (met 164 gesneuvelden zonder bekend graf) leverde in april en mei 1915 strijd in een gebied ten noordoosten van de huidige zuiderring : Polygoonbos, Bellewaardebos, Verlorenhoek, Zonnebeke, Westhoek, Railway Wood. Maar een heel bijzondere reden om aan te nemen dat de gevonden KSLI soldaat van het 2de bataljon geweest kan zijn, is het feit dat z'n resten gevonden werd samen met die van een tweede soldaat : van een Cavalerie-eenheid. We kunnen veronderstellen dat beiden op dezelfde dag of in dezelfde periode gesneuveld zijn. De vraag is dus of er Cavalerie-eenheden in het gebied aanwezig waren, samen met bepaalde KSLI eenheden ?
Op 8 mei 1915 hadden de Duitsers Frezenberg veroverd. Het 2de Bataljon KSLI (en een deel van het 4de Bataljon Rifle Brigade) trok 's nachts naar loopgraven tussen Bellewaarde Farm en de spoorlijn (Ieper - Zonnebeke - Roeselare). Tot ze in de nacht van 12 mei afgelost werden door de 6de Cavalry Brigade. In de week vóór de aflossing sneuvelden 50 man van het bataljon. 48 van hen zouden geen bekend graf krijgen.
De Cavalry nam deze lijn dus over, maar werd de dag erop, 13 mei, aangevallen, en liep daarbij zware verliezen op.
De Duitsers vielen 11 dagen later opnieuw aan, op 24 mei, en veroverden terrein tussen Bellewaarde-Vijver en de spoorlijn. Het 2de Bataljon KSLI ging tot de tegenaanval over, maar moest zich terugtrekken. Ze verloren 65 man, waarvan 64 geen naamgraf zouden krijgen. En diezelfde dag was ook de Cavalry actief, schrijlings op de Meenseweg.
Dit alles leidt tot het besluit dat beide soldaten, de King's Shropshire Regiment soldaat en de Cavalerist, wellicht gesneuveld zijn in mei 1915, hetzij 12-13 mei, hetzij 24 mei.

(Gebaseerd op : W. Wood, The History of the King's Shropshire Light Infantry in the Great War, Londen, 1925, pp. 80-84 en 128-12.)

Op 6 september 2001, d.i. 5 maanden nadat beide Britse soldaten werden gevonden, werden ze bijgezet op Perth Cemetery (China Wall), Maaldestedestraat, Zillebeke (700 m ten zuidoosten van de vindplaats). Deze relatief grote begraafplaats telt 2655 graven, waarvan iets meer dan de helft (1368) naamloos. Aanvankelijk was dit een eerder kleine begraafplaats, maar bijna alle graven (meer dan 2500) werden na de Wapenstilstand aangebracht van niet minder dan 28 andere begraafplaatsen elders in de Ypres Salient.



© 2001 The Diggers - Contact
Webmaster