Activiteiten van De Diggers - KNOWN UNTO GOD

Het vinden van stoffelijke overschotten en het identificatieprobleem

* EVEN SPECIAAL AANDACHT VOORAF

Het vinden van stoffelijke overschotten blijft een gevoelige aangelegenheid. Emotioneel afstand nemen van middeleeuwse (of vroegere) vondsten is eenvoudig, maar waar het gaat om het vinden van resten van W.O.I-soldaten liggen de zaken toch wel anders. Deze zijn immers nog 'maar' 85 jaar oud, wat met zich meebrengt dat confrontatie van kinderen en (achter)kleinkinderen met fotomateriaal dat de resten toont van wat het stoffelijk overschot van een (voor)vader zou kunnen zijn, misschien pijnlijk kan overkomen.

Moet er hier per se eerder schokkend fotomateriaal getoond worden ? Van het probleem zijn we ons zeer goed bewust, en de vraag kan inderdaad terecht gesteld worden. Dat we enkele schaarse beelden toch publiceren, heeft z'n redenen - zeker geen sensatiezucht - en die redenen willen we bij gelegenheid indien gewenst zeker toelichten. Graag willen wij nu al vragen dat bezoekers bereid zijn aan te nemen dat onze motieven eerlijk zijn. Niettemin hebben wij na rijp beraad beslist in dit artikel slechts een heel beperkt aantal foto's met stoffelijke resten weer te geven.


* HONDERD DERTIEN

Tot eind november 2000 zijn op de Boezingse site de resten van 113 soldaten gevonden. (Sindsdien werden er tot op heden, half april 2001, op deze site geen vondsten meer gedaan.) Meestal gaat het om Britse soldaten, maar er worden ook Franse en Duitse aangetroffen. Zeer waarschijnlijk zijn ze gesneuveld of ter plaatse aan hun verwondingen bezweken kort na de Duitse gasaanval van 22 april 1915, of in de eerste helft van juli 1915, bij de hevige gevechten met als inzet de International Trench en de Südspitze, een stuk loopgraaf tussen beide linies.

Foto 1

Een van de resten van 3 gesneuvelde Britse soldaten, gevonden in het noordelijk deel van de site op 2 juli 1999.

Dat zovelen die gesneuveld zijn op de Boezingse kanaalsite, het tot nu toe hebben moeten stellen met een loutere vermelding op de Ieperse Menenpoort - het Memorial for the Missing - heeft een verklaring : de vijandelijke linies lagen op dit slagveld immers zo dicht bij elkaar - soms amper 30 meter - dat het vaak onmogelijk was de doden terug te brengen achter de eigen linies. De lijken bleven liggen ... Vele maanden ... Om door obusinslagen hoogstens met een laag rondspattende aarde toegedekt te worden. Wanneer Duitse patrouilles 7 maanden na de gevechten van juli 1915 naar hun vroegere vervallen loopgraven nabij het kruispunt Kleine Poezelstraat - Moortelweg gaan, waait hen dan ook 'een weerzinwekkende reuk van ontbinding' tegemoet ...

Volgens onze berekeningen werden er bij Britten en Duitsers in de 5 dagen van 5 tot 9 juli 1915 naar schatting 550 gesneuvelden en vermisten geteld. En ook in de dagen, weken en maanden die volgden werd er nog gevochten. En gesneuveld... 113 gesneuvelden werden er door ons team tot op heden dus opgegraven. Maar zou het aantal dat er nog ligt - en voor altijd zal blijven liggen - dat cijfer niet evenaren of zelfs overtreffen ?


* STRIKTE PROCEDURE

Dit vinden van stoffelijke overschotten is voor een buitenstaander meer dan eens om begrijpelijke redenen een nogal sensationeel aspect van onze slagveldprospectie. Maar ook voor onze teamleden is het opgraven van een skelet, of delen ervan, iets dat beklijft. Heel vaak gebeurt het ook totaal onverwacht. Meer dan eens begint het met de 'banale' ontdekking van een schoen. Die dan blijkt meer te zijn dan zomaar een schoen. Een scheenbeen, een dijbeen volgen... En het bekken, de ruggenwervels en ribben, de schedel... Meer dan eens blijkt een groot deel van het overschot niet te vinden : totaal verhakkeld of in het rond verspreid door een obusinslag.

Hoe dan ook, bij de vaststelling van een stoffelijk overschot worden de geplande werkzaamheden grondig gewijzigd. Een kist mitrailleurpatronen of een etui met ontstekers worden steeds omzichtig uit de bodem gehaald, maar het blootleggen van stoffelijke resten gaat nog veel behoedzamer en geduldiger. Menselijke resten dienen uiteraard zonder uitzondering met het nodige respect behandeld worden. En als opgraving veel tijd in beslag neemt, dan moet dat maar zo. Vergde het opgraven van de vijf Britse gesneuvelden op 20 juli 1999 geen 8 uur ? Dat is nu eenmaal onze gedragscode : dit was ook een mens, en altijd iemands vader, altijd iemands zoon ...

Zodra er ernstige aanwijzingen zijn dat we te maken hebben met menselijke resten, wordt de spade of schop gewisseld voor het truweeltje, en wordt de aarde heel omzichtig afgeschraapt. Er kan immers altijd een belangrijk voorwerp aanwezig zijn dat klaarheid kan scheppen over de omstandigheden waarin de ongelukkige om het leven gekomen is. Of voorwerpen gevonden worden die kunnen helpen bij de latere identificatie of historische situering.

Opgraving gebeurt ook volgens een strikte procedure, in afspraak met de overheid. Wanneer in het algemeen een skelet, of delen ervan, gevonden worden, eender waar, dan dient de overheid verwittigd. Zoiets is immers 'een verdacht overlijden'. In dit geval komt de Federale Politie zich vergewissen van de toestand.

Op een slagveldsite wordt die toestand al heel vlug duidelijk : gespen, legerschoenen, munitie, een geweer, insignes e.d. maken het evident dat we te maken hebben met een gesneuvelde van de Eerste Wereldoorlog. In aanwezigheid van de Federale Politie gaat de opgraving verder en worden alle resten grondig opgegraven (foto 2). De beenderen gaan in één plastieken zak, de materiële vondsten die eventueel tot identificatie kunnen leiden, gaan in een andere zak. Van de vondsten wordt een proces-verbaal opgemaakt, dat overgemaakt wordt aan de procureur des konings. Een hoger ambtenaar op het Ministerie van Binnenlandse Zaken wordt daarop gecontacteerd, en uiteindelijk krijgen de resten een bestemming voor begrafenis via Britse diensten (Commonwealth War Graves Commission Ieper), Duitse (Volksbund Deutsche Kriegsgräberfürsorge) en Franse.

Foto 2 : Dezelfde dag - De Federale Politie (Rijkswacht) komt de resten ophalen en inventariseert de bijvondsten.


Volledigheidshalve moet hier duidelijk gesteld worden dat alle militaria (bijv. insignes) en persoonlijke bezittingen die bij een stoffelijk overschot gevonden worden (een pijp, een kruisje, munten, een sigarettenetui e.d.) later samen met de overschotten begraven worden.

Foto 3 : Een paternosterkruisje, een munt, een medaille, stukjes uniform en knopen gevonden bij de schaarse resten van een Duits soldaat (17 nov. 2000)


* BELANGRIJKE VONDSTEN

Dat de concrete opgraving heel wat tijd in beslag neemt, geldt zeker wanneer meer dan één skelet gevonden wordt. We hebben het al even gehad over de vondst en de recuperatie van de 5 Britse skeletten op 20 juli 1999 , maar we kunnen het ook hebben over de vondst van 7 Franse soldaten op 28 augustus 1999 (zie artikel Zomer en najaar 1999).

Of de vondst op zaterdag 15 juli 2000 van wat niet één maar twee Franse soldaten bleken te zijn, nabij het kruispunt Moortelweg - Kleine Poezelstraat (foto's 4 - 6). Het was al 18 uur toen een detectorsignaal uiteindelijk leidde tot de ontdekking. Een striemende noorderwind met gure regenbuien, waarbij de kuil met de twee skeletten steeds weer volliep, ook door het overvloedige grondwater, bemoeilijkte de opgraving in hoge mate. Voortdurend moest er slijkwater gehoosd worden om zicht te hebben op de vondst. Het verder opgraven stilleggen om op een latere dag verder te zetten was uitgesloten : het gevaar bestond immers dat bulldozers en vrachtwagens twee dagen later het terrein grondig van uitzicht zouden doen veranderen. Daarom werd er verder gewerkt. Tot bij het invallen van de duisternis de tweede soldaat geborgen was.

Foto 4 :

Resten van een Frans gesneuvelde (o.a. duidelijk door de patronentas, onderaan) gevonden op 15 juli 2000.

Nabij de heup een geëmailleerde beker, die leeg bleek.

 

Foto 5 :

Eronder bleken ook nog de resten van een tweede soldaat te liggen.

De foto toont meteen aan dat soortgelijke opgravingen niet steeds in optimale weersomstandigheden geschieden.

Foto 6 : Twee brilglaasjes, vier hemdsknopjes en een kammetje, aangetroffen bij vorige resten.


* DOG TAGS

Een voor de hand liggende vraag is natuurlijk of de stoffelijke overschotten na al die jaren nog geïdentificeerd kunnen worden. (Het weze wel even gezegd : identificatie van de overschotten is niet onze opdracht.) Het antwoord is zowat in alle gevallen negatief. Een vaststelling die op buitenstaanders wel eens op ongeloof stuit, en in het verleden bij slechtmenenden zelfs geleid heeft tot totaal ongewettigde en lasterlijke verdachtmakingen.

In de moderne oorlogsvoering dragen de soldaten een identificatieplaatje (de zogenaamde dog tag). Ook in W.O. I was dat het geval. De slachtoffers die gevonden worden op de Boezingse site, dateren echter van de periode mei-juli 1915. Op dat moment was het dragen van een identificatieplaatje nog niet algemeen, en zeker was het nog niet gebruikelijk dat soldaten de plaatjes in tweevoud droegen. Die algemene maatregel werd in het Britse leger pas in de tweede helft van 1916 verordend. Het ene identificatieplaatje dat wel werd gedragen, werd geregeld meegenomen door soldaten als bewijs dat iemand overleden was. En dat was ook het geval voor persoonlijke bezittingen (soms met immatriculatienummer), om over te maken aan de families. Tevens was het ook zo dat het eventueel nog aanwezige Britse identificatieplaatje van zulkdanige povere kwaliteit was, dat het een verblijf in de bodem niet lang overleefde.


* FRANCOIS METZINGER

Geen identificatie dus. Behalve dan op 2 juli 1998... 's Morgens vroeg was op 20 meter van de Yorkshire dug-out door een arbeider met een graafmachine de teelaarde aan het verwijderen, net boven het wegtracé van de aan te leggen Bargiestraat. Plots werden de knieën van een skelet blootgegraven. Gelukkig was ploegverantwoordelijke Patrick Van Wanzeele in de buurt aanwezig. Na geduldig manueel schraapwerk bleek dat het om een Frans soldaat ging, waarvan de beenderen totaal verhakkeld dooreen lagen.

Met de metaaldetector werd een volledig gevulde kogeltas ontdekt, en Franse gespen en knopen. Op het onderste kaakbeen lag een gouden munt, die misschien in de kraag van de gesneuvelde genaaid geweest was geweest, als een soort geluksbrenger. Het bleek een Russische munt te zijn van 1888, met de beeltenis van tsaar Alexander III (1881-1894) (foto 8). Even later kwam nog een tweede skelet bloot, volledig. En toen beide stoffelijke overschotten verwijderd waren, bleken er zelfs nog twee andere onder te liggen.

Foto 7 : 2 juli 1998 - Eerder toevallig worden de resten van 2 Franse soldaten gevonden. Bij de soldaat links op de foto zal een naamplaatje aangetroffen worden : François Metzinger. Onder deze twee gesneuvelden zullen kort daarop de resten van nog eens twee soldaten blootgegraven worden.

Foto 8 :

Op het kaakbeen blijkt een Russisch muntstuk te liggen.

Een souvenir ? Een geluksbrenger ?...

Merkwaardig was echter de vondst van het identificatieplaatje bij het eerste van de vier skeletten! (Foto 9) Het eerste dat op de Boezingse site aangetroffen werd. Op de voorkant stond de naam van de soldaat : METZINGER François, met het jaartal van de klasse, 1900. Op de achterzijde was te lezen : CONSTANTINE 135. François Metzinger behoorde tot het Franse leger zoeaven van het Armée d'Afrique, gelegerd in Constantine, recruteringscentrum nr. 135, in het noorden van Algerije. Daar lag o.a. een deel van het 3de Zoeaven.

Dit 3de Zoeaven lag op het moment van de gasaanval van 22 april 1915 in Zuidschote (3 km ten noorden van Boezinge), in gevechten voor het behoud van het gehucht Lizerne, tot waar de Duitsers doorgestoten waren. Op 28 april werden deze manschappen, samen met het 7de Zoeaven, ingezet op de huidige site, en iets verder zuidoostelijk tot aan het Moorteltje.

Foto 9 :

Naamplaatje van François Metzinger.

Op de achterkant stond te lezen : Constantine 135.

Foto 10 : De gesneuvelde werd later bijgezet op de Franse begraafplaats St. Charles de Potyze (Ieper)

Foto 11 : 5 okt. 1999 - Tijdens een korte plechtigheid in aanwezigheid van burgerlijke en militaire autoriteiten worden bloemen neergelegd bij het graf van François Metzinger.

In welke omstandigheden en wanneer precies François Metzinger sneuvelde, hebben wij niet achterhaald : in ieder geval in de periode 28 april tot 24 mei 1915, toen de Fransen er afgelost werden door Britse troepen.


* REGIMENTSIDENTIFICATIE

Is naamidentificatie op dit ene geval na onmogelijk gebleken, er is in haast alle gevallen wel mogelijkheid om de nationaliteit vast te stellen : d.m.v. knopen, schoenen, gespen, patronen. En van tijd tot tijd ook mogelijkheid om de militaire eenheid vast te stellen, aan de hand van insignes (cap badges en shoulder titles). Dit stelt ons ook in staat om, mede aan de hand van regiments- en bataljonsgeschiedenissen, de historische achtergrond nog beter aan te vullen.

Even enkele cijfers van resten van Britse gesneuvelden met en zonder regimentsidentificatie, voor 1999 en 2000 :

1999

  • Insigne Lancashire Fusilier : 2
  • Insigne York & Lancaster : 1
  • Insigne Fusilier : 1
  • Insigne West Riding : 1
  • Insigne Northumberland Fusiliers : 1
  • Insigne London Rifle Brigade : 1
  • Geen insignes : 18

2000

  • Insigne Rifle Brigade : 3
  • Insigne Durham Light Infantry : 1
  • Somerset Light Infantry : 1
  • York & Lancaster : 2
  • Geen insignes : 14 (wel één niet-militair vakbondsinsigne North Warwickshire Miners)

Dit betekent dat van de 46 in 1999-2000 gevonden resten er slechts 14 (30 %) konden worden geïdentificeerd naar eenheid. Wij zijn altijd geïntrigeerd geweest door deze geringe aanwezigheid van insignes, maar ook van andere materiële bijvondsten die eventueel konden leiden tot identificatie. Een verklaring hebben wij niet zo meteen. Werden insignes en andere identificatiemiddelen reeds tijdens de oorlog verwijderd ? Of gebeurde dat ná de oorlog ? Of moet ook rekening gehouden worden met de mogelijkheid dat vóór raids of aanvallen aan de manschappen werd gevraagd om de regimentsinsignes en andere kentekens van het uniform te halen, zodat de vijand zeker niet zou weten tegenover wie ze stonden.

Vergeten we ook niet dat het Boezingse slagveld ongemeen chaotisch en verward moet zijn geweest. Lichamen van vriend en vijand lagen door elkaar ; andere lichamen die misschien wel al eens voorlopig werden begraven, werden bij latere bombardementen opnieuw weggeslingerd, en op veel plaatsen waren lichamen ook letterlijk uit elkaar gereten. De verschrikkingen van een loopgravenoorlog ...

Foto 12 : Schouderinsignes en cap badge gevonden bij de resten van een soldaat van het York & Lancaster Regiment (18 nov. 2000).


Er worden inderdaad van tijd tot tijd insignes aangetroffen die mogelijk hoorden bij in de buurt aangetroffen resten, maar die er te ver van verwijderd liggen om met zekerheid te zeggen dat een bepaalde soldaat van dit of dat regiment was.


* TERAARDEBESTELLING

Nadat de overblijfselen onderzocht zijn op mogelijke identificatie, voor de Britse soldaten door het CWGC Ieper, worden ze vrijgegeven voor bijzetting op een militaire begraafplaats. Niet in volgorde zoals ze gevonden zijn : eerst komen de overblijfselen in aanmerking waar totaal geen identificatie mogelijk is, vervolgens waar regimentsidentificatie wél mogelijk bleek. Britse soldaten worden begraven op Cement House Cemetery (Langemark, op 3 km van de Boezingse site), Franse op St. Charles de Potyze (Ieper), en Duitse op het Soldatenfriedhof Langemark.Zo werden in 1999 en 2000 bij 7 gelegenheden samen 55 soldaten van deze nationaliteiten ter aarde besteld op deze drie begraafplaatsen.

In de loop van 2001 zouden op de Britse begraafplaats nog eens 8 of meer soldaten bijgezet moeten worden (gevonden najaar 2000).

Foto 13 :

6 nov. 1998 - Naar aanleiding van een herdenkingsplechtigheid op de duitse militaire begraafplaats in Langemark werden een aantal Duitse soldaten, hier in kistjes onder de Duitse vlag, ter aarde besteld.

Foto 14 : De resten zouden later bijgezet worden in het Kameradengraf, een met struiken beplant massagraf met bijna 25.000 lichamen.

Foto 15 : 5 okt. 1999 - De resten van 11 gesneuvelden worden ter aarde besteld op de Franse begraafplaats St. Charles de Potyze in Ieper.

Foto 16 : De naamstenen van 16 Britse niet-geïdentificeerde gesneuvelden, ook zonder regimentsidentificatie, begraven op Cement House Cemetery (Langemark) op 15 sept. 1999.

Foto 17 : Rev. Graham Olivier leidt de plechtigheid.

Foto 18 : Defensie-attaché Tim Hall heeft zopas een krans poppy's neergelegd, tijdens het strijken van de Union Jack, het gebruikelijke eerbetoon.

Foto 19 : 29 aug. 2000

Zeven kistjes met de resten van Britse gesneuvelden werden zopas neergelaten in de bodem, om er nu te rusten voor immer.

Principieel hechten een aantal leden van de groep eraan om telkens aanwezig te zijn bij de korte plechtigheid.

 

Foto 20 : 26 okt. 2000

Teraardebestelling van de resten van 8 Britse gesneuvelden, zonder naamidentificatie, wel met regimentsidentificatie.

Om een beeld te geven van de sfeer bij zo'n teraardebestelling, geven wij (in vertaling) uittreksels uit een relaas weer zoals verschenen in The Times van zaterdag 28 oktober 2000, onder de titel Ypres fields still yield a sad harvest (Ieperse velden geven nog steeds hun droevige oogst, van de hand van journalist Martin Fletcher. Het gaat om de teraardebestelling op 26 oktober 2000 van 12 Britse soldaten, gevonden tussen juni 1999 en eind augustus 2001 (5 zonder regimentsidentificatie, 2 van de Rifle Brigade, 2 Lancashire Fusiliers Regt., 1 York & Lancaster, 1 van het Northumber­land Fusiliers Regt., 1 van de London Rifle Brigade).

Op een winderige namiddag onder een bleke herfstzon bliezen twee klaroenblazers de Last Post in een hoek van een begraafplaats van de Eerste Wereldoorlog te midden van het vlakke groene akkerland in Vlaanderen. Terwijl de droevige klanken boven de eindeloze rijen witte naamstenen zweefden, werden de resten van weer eens 12 Britse soldaten neergelaten. "They shall not grow old as we that are left grow old," reciteerde de Anglicaanse geestelijke. "At the going down of the sun and in the morning, we will remember them."

Het was een aangrijpende gebeurtenis. De resten lagen in 12 houten kistjes. Rev. Ray Jones, van St George Memorial Church in Ieper, leidde de plechtigheid. De militaire vertegenwoordigers legden poppykransen neer en groetten. Dan werden de resten van de Tommy's neergelaten in de aarde, waaruit ze enige tijd te voren waren opgegraven, maar nu met eer en waardigheid. Weldra zullen ze naamstenen krijgen, met de bekende woorden van Rudyard Kipling : "Known unto God", zoals ook 2.365 andere graven op deze zelfde begraafplaats.

"Het is moeilijk de juiste woorden te vinden," zei Liz Sear uit Northampton, een van de toevallig aanwezige toeristen, na de korte dienst van 12 minuten. "Zoiets doet je huiveren, voornamelijk tijdens het blazen van de Last Post. Het was een voorrecht hier te mogen zijn."

 


© 2001 The Diggers - Contact
Webmaster