Activiteiten van De Diggers - KNOWN UNTO GOD

Het vinden van stoffelijke overschotten en het identificatieprobleem

STAMNUMMERS: HET BEGIN VAN EEN ZOEKTOCHT

In dit artikel behandelen wij de mogelijkheid om op grond van gevonden voorwerpen de identiteit van gesneuvelde soldaten te achterhalen - en eventuele nabestaanden op te sporen.


* NIET-GERELATEERDE PERSOONLIJKE VOORWERPEN

De identiteit van een gesneuvelde achterhalen is, om redenen die we in het artikel 'Known unto God' uiteengezet hebben, tot op heden, op één geval na (de Franse Zouaaf François Metzinger), een illusie gebleken. Zoveel groter nog is het besef dat het vinden van nabestaanden en directe verwanten waarschijnlijk een droom zal blijven.

Van de gesneuvelde soldaten die op de Boezingse site opgegraven werden, is er niets dat tot naamidentificatie heeft kunnen leiden : geen naamplaatje, en - bij regimentsidentificatie dan - evenmin andere gegevens die de gevallen soldaat een naam kunnen geven. Deze droom werd voor ons team nog niet gerealiseerd. Althans niet tot op heden (eind april 2001). En dat geldt ook voor de diensten wier specifieke taak het is later de resten op identificatie te onderzoeken. (Voor de Britse soldaten : de Commonwealth War Graves Commission.)

"Worden er dan nooit aanwijzingen gevonden op voorwerpen die bij deze menselijke resten aangetroffen worden ?" luidt de vraag meer dan eens. Het antwoord is : neen. Wij zijn zelf steeds in hoge mate geïntrigeerd geweest door de vaststelling dat er zo ontzettend weinig materiële zaken aangetroffen worden bij de overblijfselen : soms zelfs geen knopen of gespen. Laat staan voorwerpen met bijvoorbeeld een naam of stamnummer. Dat deze personal items in al deze gevallen tijdens of kort na de oorlog verwijderd werden, is een verklaring die misschien wel voor de hand ligt.

Wij gaan hier niet dieper in op dit probleem, dat wij overigens al aangeraakt hebben in het artikel : Het vinden van stoffelijke overschotten en het identificatieprobleem.

We gaan wel in op een andere vaststelling : dat er wel eens her en der verspreide persoonlijke voorwerpen opgegraven worden, los van menselijke resten.

Foto 1 - De persoonlijke voorwerpen die op het Boezingse slagveld gevonden werden, hoeven niet steeds te verwijzen naar het oorlogsgeweld. Afgezien van scheerborstels, tandenborstels en andere voorwerpen voor de persoonlijke hygiëne, worden ook wel eens 'vrolijker' voorwerpen aangetroffen, zoals een dek speelkaarten, of (rechts) een mondharmonica. (Zomer 2000)

 

Foto 2

Of een pijp met een ivoren aapje, een tabaksstoppertje (uit de reeks 'Horen, zien en zwijgen'), gevonden 14 okt. 2000.

 

Foto 3

Een uurwerk, dat na meer dan 80 jaar ondergronds verblijf de wijzers erbij ingeschoten heeft, alsof de tijd opgehouden heeft te bestaan bij zoveel oorlogsgeweld. Helaas ook hier weer zonder ingegraveerde naam of initialen die tot identificatie van de eigenaar had kunnen leiden.

Maar af en toe gebeurt het ook wel een zeldzame keer dat gevonden voorwerpen een gegeven tonen dat wél kan leiden tot het achterhalen van de identiteit van de eigenaar.

Laten we er hier echter vooraf voor alle duidelijkheid toch even op wijzen dat deze voorwerpen niet gerelateerd kunnen worden met een stoffelijk overschot dat in de omgeving aangetroffen werd. Niemand kan met zekerheid, met geen enkele methode, stellen dat een bepaald voorwerp al dan niet hoort bij een bepaald persoon waarvan de resten op één of meer meter afstand gevonden werden. Dat voorwerpen uit hun archeologische context gerukt worden en dat daardoor identificatie bemoeilijkt wordt, is een verwijt dat hier in geen enkel geval kan opgaan of hard gemaakt worden. Een insinuatie waarvan wij tegenover eender wie met gemak het ongerijmde ervan kunnen aantonen.

Tevens wijzen wij er nogmaals op dat als voorwerpen wél met een stoffelijk overschot gerelateerd kunnen worden - doordat ze er vlak bij liggen - ze dan ook samen met de resten aan de overheid overhandigd worden en begraven worden.


* EEN SERVICE NUMMER : DE START VAN EEN ZOEKTOCHT

Wat wel indirect zou kunnen leiden tot persoonlijke identificatie - maar zelden met absolute zekerheid - zijn initialen en/of service numbers (stamnummers, of immatriculatienummers), meestal gekerfd of geslagen in lepels. Pogingen tot identificatie aan de hand daarvan hebben tot nu toe slechts zelden tot resultaat geleid.

Als een lepel gevonden wordt, is het nog steeds even een boeiend moment wanneer de aarde afgeschraapt wordt : is er een nummer te lezen ? In negen van de tien gevallen is het resultaat nihil. Maar af en toe wordt een lepel gevonden waarin een service number geslagen is. Steeds wordt dan gepoogd de identiteit van de eigenaar te achterhalen via de bestanden van de Commonwealth War Graves Commission (CWGC), of de cd-rom Soldiers Died in the Great War 1914-1919 (The Naval & Military Press).

Eerste moeilijkheid daarbij is dat een stamnummer meestal aan vele soldaten (van verschillende regimenten) gegeven werd : 10, 20 of meer ... Het komt er dan op aan door eliminatie dat aantal te reduceren tot enkele mogelijke eigenaars, liefst één, op basis van de regimenten en de periode(s) dat deze regimenten in het Ieperse of in Boezinge actief waren. Tweede moeilijkheid daarbij is dat de eigenaars van een bepaald nummer slechts bekend zijn indien ze gesneuveld zijn, hetzij met een naamsteen op een van de talrijke militaire begraafplaatsen, hetzij als vermiste vermeld op bijv. de Menenpoort (Ieper) of Tyne Cot Cemetery (Zonnebeke). Als er voor een nummer dus geen naam uit de gegevensbank komt, of geen naam van een soldaat die deel uitmaakte van een regiment waarvan het bataljon in het Ieperse gestreden heeft, dan is dat eigenlijk goed nieuws : deze onbekende heeft de oorlog overleefd. Maar ook in het andere geval blijft er vaak nog (te) veel onduidelijkheid of onzekerheid over de identiteit.

Foto 4

De Menenpoort : het Memorial for the Missing, ingehuldigd op 24 juli 1927. Op de panelen staan de namen van bijna 55.000 namen van vermiste officieren en soldaten van het Britse Commonwealth. Nog maar een deel van alle vermisten, want nog eens bijna 35.000 namen staan op de wanden van Tyne Cot Cemetery, gesneuveld na 15 augustus 1917.

 

Foto 5

Zonnestralen op enkele namen voor wie de zon niet meer zou schijnen na de Grote Oorlog. Een paneel met soldaten van de Durham Light Infantry, o.a. Alfred Johnson, service number 1616, °Darlington, + 19-03-16, en Alexander Johnson, service number 7845, °Sunderland, + 09/08/15.

Op de Boezingse kanaalsite werden tal van lepels gevonden. Enkele ervan met een stamnummer, waarvan de eigenaar niet met zekerheid kon opgezocht worden in de gegevensbanken. Zo bijvoorbeeld de stamnummers 797, 7837, RB 3567 en RB 3568 (op één lepel), 1HTS 9567, HTS 6946, 1787, 4LF 5364, L(?) 7837. (RB = Rifle Brigade, HTS = Hants = Hampshire Regiment, LF = Lancashire Fusiliers.) Voor elk van deze nummers komt er wel een mogelijke eigenaar in aanmerking, maar door onzekerheid i.v.m. regiment, plaats van overlijden, ligging van bataljon,... kunnen we nooit absolute zekerheid geven.

Foto 6

Stamnummers op lepels die niet tot een identiteit geleid hebben.

 

En dan blijven er nog altijd raadsels. Zo bijvoorbeeld i.v.m. een stuk van een bajonetfoedraal dat de gegevens 5RWF 1097 toonde. De soldaat van het 5de Bataljon van het Royal Welsh Regiment met dat nummer ligt echter begraven in ... Egypte (Alexandrië).

Foto 7

Een detail van een bajonetfoedraal gevonden op de Boezingse site. Private 1097 van het 5de Bn. Royal Welsh Fusiliers is gesneuveld in Egypte.

* GEORGE HERBERT PARKER

11 juli 1915 - Op een slagveld 5 km ten noorden van Ieper, op de oostelijke oever van de vaart naar de IJzer, sneuvelt een Brits soldaat van het 5de Bataljon van het York & Lancaster Regiment : Private GEORGE HERBERT PARKER, stamnummer 716, geboren in het Noord-Engelse stadje Barnsley. Hij is 23 jaar jong.

Foto 8

Een cap badge (insigne op de kepie) van het York & Lancaster Regiment, gevonden op het noordelijke stuk van de Boezingse kanaalsite op 17 sept. 1999.

George Parkers stoffelijk overschot kan die dag - en later evenmin - niet achter de Britse linies teruggebracht worden en blijft op het slagveld achter. Samen met velen van de 26 van zijn bataljon die daags voordien gevallen zijn - en de talloze anderen ook van bataljons van andere regimenten. Samen ook met zijn twee andere bataljonskameraden die op die 11 juli 1915 sneuvelen. Zij zullen geen rustplaats krijgen op Talana Farm Cemetery, op een kilometer ten zuidwesten van het slagveld, aan de overkant van de vaart. Ze zullen er blijven liggen, ten prooi aan het oorlogsgeweld dat hun overschot misschien keer op keer door artillerievuur zal uiteenrijten. Niet voor weken, niet voor maanden, maar voor jaren. Of misschien wel voor eeuwig ...

En al die tijd staat George Herbert Parker's naam bij de meer dan 54.000 anderen op een van de panelen op het Memorial for the Missing van de Menenpoort in Ieper. Hij is voor ons maar een van de talloze gesneuvelden van wat in regimentsgeschiedenissen 'a small operation' genoemd wordt. Een soldaat zonder geschiedenis, zonder toekomst.

Foto 9

Op de Menenpoort : de naam van Private Parker G.H. tussen andere van zijn eenheid.

 

Meer dan 80 jaar later, in de periode 1998-2000 worden op dezelfde Boezingse slagveldsite door ons team de resten van vele tien­tallen vooral Britse gesneuvelden opgegraven. Ook van het York & Lancaster Regiment, zo blijkt uit enkele schaarse regimentsinsignia. Is George Herbert Parker één van hen ? Niemand weet het, want de resten kunnen na al die jaren niet meer geïdentificeerd worden.

Op 21 augustus 2000 vindt Digger Johan, niet zo ver van de plaats waar voordien resten opgegraven werden, drie scheermessen. Op één ervan heeft de soldaat ruw maar heel duidelijk leesbaar z'n stamnummer gekerfd in het handvat : 716. Dit is zonder enige twijfel het scheermes van George Herbert Parker, dat hij kort voor of bij zijn dood op het slagveld achtergelaten heeft.

Foto 10

Een stamnummer gekerfd in het handvat van een scheermes, gevonden 21 aug. 2000 : dat van G.H. Parker, gesneuveld 11 juli 1915.

 

Meteen wordt via de stedelijke overheid van Barnsley en de plaatselijke pers gezocht naar directe nabestaanden van George Herbert Parker. Een journalist publiceert in de 'Barnsley Chronicle' van 8 september 2000, onder de titel 'Razor sparks hunt for soldier's relatives' (Scheermes begin van zoektocht naar verwanten van soldaat) een artikel met onze vraag. En met succes. Er komt een reactie van een zekere John Hutchinson, de weduwnaar van George Parker's kleindochter. George Herbert Parker bleek getrouwd te zijn toen hij naar de oorlog trok, en toen hij sneuvelde in Boezinge een vrouw en driejarig zoontje, Sydney, achter te laten.

Mr. John Hutchinson, bezorgde ons Diggersteam, spontaan en als teken van dank, de postuum verleende War Medal van deze Britse soldaat die zo jong sneuvelde in het noorden van de Ieperse Salient. Op de rand van de medaille staat gegraveerd : 716 Private George H. Parker York & Lanc. Mr. Hutchinson schonk de medaille voor onze geplande tentoonstelling 'Gered van de Vooruitgang' (10-13 nov. 2000). Wij beloofden hem ze nadien samen met het scheermes te schenken aan het Ieperse In Flanders Fields Museum.

Foto 11

War Medal en scheermes van George Herbert Parker op een uitprint van zijn gegevens uit de CWGC-registers.

 

Deze voorwerpen zullen ons en de bezoekers blijven herinneren aan het offer van Private George Herbert Parker, die voor ons sinds het najaar van 2000 meer is dan alleen een soldaat met een stamnummer en een naamvermelding op de Menenpoort.


* EEN REGENZEILTJE

En dan zijn er naast lepels of bajonetfoedralen ook nog andere zaken met service numbers. Zoals een flard van een regenzeil, gevonden in de zomer van 1999, nabij een loopgraaf op de bodem waarvan de overschotten van 5 Britse soldaten aangetroffen werden.

Geschreven met anilinepotlood was een groot deel van een nummer nog net leesbaar : 4620. Of is de 2 een 3 ? en de 0 een 9 ? Maar áls het service number 4620 is, dan behoorde het regenzeiltje toe aan Thomas HORAN, een soldaat van het 2de Bataljon van het Lancashire Fusiliers Regiment, geboren in Ierland, maar wonende in Manchester, gehuwd, en op 40-jarige leeftijd gesneuveld op 7 juli 1915 tijdens de gevechten op de kanaalsite. En wiens naam net zoals die van George Herbert Parker ook een van de bijna 55.000 vermisten is op de Menenpoort.

Foto 12

Als dit stamnummer 4620 is ...

 

Foto 13

... dan hoorde het regenzeiltje toe aan Thomas Horan uit Manchester.

* DE LEPEL VAN WILLIAM BANFIELD

Heel frustererend zijn de gevallen waar een spoor aanvankelijkelijk lijkt te leiden naar het vinden van nabestaanden, maar dan heel moeizaam verder loopt, en uiteindelijk soms zelfs vastloopt.

Zo werd in het mei 2000 op de site een lepel gevonden, met de inscriptie HTS 6946 (Hampshire Regiment). Dat bleek het nummer van Lance Corporal W. Banfield, van het 1ste Bataljon van dit regiment te zijn. Dat bataljon streed inderdaad op de Boezingse site op 6 juli 1915 (de slag om de International Trench en de Südspitze). Lance Corporal W. Banfield sneuvelde diezelfde dag. Hij ligt begraven op Talana Farm Cemetery (Diksmuidseweg Boezinge). Hij was geboren in Meopham (Kent) (onder voorbehoud : 1891), woonde in "Bradland, Kent" en maakte aanvankelijk deel uit van de Royal Field Artillery.

Foto 14

HTS 6946 : stamnummer van William Banfield, uit "Bradland" (sic), Kent.

 

Onze pogingen om te achterhalen of er (nog) nakomelingen van hem in leven zijn in Kent, verlopen tot op heden (eind april 2001, bijna één jaar na het vinden van het voorwerp) eerder moeizaam. De reden : Private Banfields "residence", vermeld als : "Bradland, Kent" blijkt onbestaande te zijn. Sindsdien werden tientallen brieven en e-mails verzonden om de werkelijke woonplaats te achterhalen, en werden sporen naar alternatieve plaatsnamen al gevolgd. Voorlopig zonder succes.

Maar de zoektocht is zeker niet helemaal vruchteloos geweest. Momenteel zijn we, dankzij de zeer gewaardeerde assistentie van behulpzame medezoek(st)ers in Engeland, in het bezit van gegevens over zijn ouders en broers (geboortejaar onder enig voorbehoud) :

Vader : John Banfield (° Malling, 1859)

Moeder : Eliza (° Wrotham, 1857)

Oudste broer : John J. Banfield (° Wrotham, 1878)

Tweede broer : Solomon V. (Vincent ?) Banfield (° Ightham (of Longfield ?), 1879)

Onder voorbehoud : Zijn broer Solomon V. Banfield trouwde Mary Adelaide (Alice) Bagnell, en overleed op 21 maart 1954. Ze hadden 7 kinderen, en woonden in Snodland. De echtgenote overleed op 12 maart 1971.

De kernvraag die nog steeds niet beantwoord is, is of William Banfield getrouwd was. En zo ja, of hij kinderen had. Contacten die wij momenteel hebben met een mogelijke achterneef, zullen hopelijk leiden tot een antwoord. En, wie weet, tot het vinden van directe afstammelingen.

Voor de afloop van de zoektocht naar William Banfields mogelijke afstammelingen, zie elders op onze website.


* HET SPOOR BIJSTER - EN ALLE HULP WELKOM

Graag citeren we nog twee andere gevallen waarin we ons vastgebeten hebben, helaas ook weer zonder afstammelingen te vinden.

In november 2000 worden flarden van een regenzeiltje gevonden met handgeschreven gegevens. Een soldaat blijkt tweemaal zijn naam en stamnummer genoteerd te hebben in anilinepotlood. De eerste keer is de eerste helft van de inscriptie verloren gegaan, de tweede keer de andere helft. Maar samen maken ze ons duidelijk : dit (schamele) voorwerp is van E. Coleman 9142.

Foto's 16 en 17

Flarden van een regenzeiltje, met (misschien op de foto's niet zo goed leesbaar) de naam en stamnummer van E. Coleman 9142.

 

Het blijkt te gaan om Private EDGAR COLEMAN van het 2de Bataljon Lancashire Fusiliers, ingeschreven 1913, ontslagen na gewond te zijn op 19 oktober 1917 (Slag van Passendale). Artikels in de media (kranten in Manchester en omgeving) en vele brieven en e-mails op zoek naar eventuele nabestaanden hebben tot op heden (eind april 2001) niets opgeleverd, tenzij een spoor dat uiteindelijk helaas vals bleek te zijn.

Hulp van eventuele Colemans, zeer waarschijnlijk in Lancashire, zal uiteraard sterk geapprecieerd worden.

En dan is er nog het geval J. Coulter. In februari 2001 wordt (voor alle duidelijkheid : dit keer niet op de Boezingse site, maar een tiental kilometer meer westwaarts) een identificatieplaatje gevonden van een Canadees soldaat. Het is zwaar beschadigd en de naam is bijna onleesbaar, maar toch hebben we zekerheid :

J. COULTER, 2374, 3 C.C.S (Casualty Clearing Station), CEF (Canadian Expeditionary Force).

Uit zijn 'attestation papers' vernamen wij verder dat John Coulter een Ier was, geëmigreerd naar Canada, geboren op 1 april 1889, in Manorhamilton (County Leitrim, Ierland) als zoon van Rev. Isaac Coulter (later wonend in Dromahair), met als opgegeven beroep : bediende en 'sleeping bar conductor C.P.R.'

Hij had zich een eerste maal willen inschrijven op 2 juni 1915, werd op 24 juni afgekeurd wegens medisch ongeschikt, probeerde het opnieuw op 28 juni. Met succes dit keer. Hij was met z'n eenheid in Frankrijk en Vlaanderen van april 1916 tot maart 1919. Hij overleed, zo werden wij geïnformeerd door een Iers familielid geïnteresseerd in genealogie, in Canada op 15 maart 1923. Hij zou in Engeland ook nog een nicht in leven hebben, een eeuwelinge, maar 'very frail'. Of John Coulter getrouwd was in Canada en daar nakomelingen had (heeft) kon voorlopig niet achterhaald worden.

Informatie die zou leiden tot het vinden van nabestaanden van deze twee Britse en Canadese soldaten wordt uiteraard eveneens sterk geapprecieerd.

Foto's 18 en 19

Voor- en keerzijde van de 'dog tag' van John Coulter. Wij weten na wat internetspeurwerk dat hij 1,80 cm groot was, en dat het verschil in uitademen en inademen van zijn borstkas bijna 8 cm bedroeg.

Ook dat hij een litteken had op de binnenkant van zijn rechter elleboog, en dat hij blauwe ogen had en bruin haar... Maar niet of hij na de oorlog trouwde ... Wie weet het wel ?

 

 

We geven de moed niet op. Zoals we dat ook niet doen bij de start van een zoektocht waar we eigenlijk niet goed weten waar te beginnen : namelijk naar de eigenaar van een riem, lengte 68 cm, breedte 2 cm, met de ingeslagen gegevens 1445 23KRR. En van die eigenaar weten wij naast die gegevens alleen dat hij de oorlog overleefd heeft. Ook geen naam...

 

Foto 20

Wie was de Britse private met stamnummer 1445 van het 23ste Bataljon van het King's Royal Rifle Corps die deze riem verloren of achtergelaten heeft op het Boezingse slagveld op de oostelijke kanaaloever ?

******

Ondertussen wordt het voorbije half jaar aan een iets lager tempo verder gebouwd op de Boezingse site. Onze prospectie houdt gelijke tred met deze werken, en de kans bestaat dat nog andere voorwerpen van gesneuvelden opgegraven worden.

En de resten van gesneuvelden zelf. Ook zij verdienen respect, en een graf op een begraafplaats. Maar wat stellen zij numeriek voor in vergelijking met de tienduizenden die nog in de bodem rusten van de Ieperse Salient ? En zullen blijven rusten. Ook onder wegen, gebouwen,...

De meer dan honderd die door ons team gevonden werden, zijn bijgezet op een begraafplaats. Want daar horen gesneuvelden een plaats te krijgen.

 


© 2001 The Diggers - Contact
Webmaster