Activiteiten van De Diggers
Twee Royal Welsh Fusiliers - een opgraving met enkele speciale facetten

BOp dinsdag 7 mei 2002 werden op Cement House Cemetery (Langemark) de twee Royal Welsh Fusiliers begraven die onze groep 9 maanden voordien, in de zomer van 2001, blootgelegd had op de Boezingse Kanaalsite. Omdat de vondst en opgraving meer dan gewone aandacht kreeg in en door het tv-programma The Forgotten Battlefield (BBC2 - 6 maart 2002), en voorafgaand aan de uitzending ook in een deel van de geschreven Britse pers, willen wij het hier even uitvoeriger hebben over deze specifieke vondst. Ook omdat ze in een aantal significante aspecten wel verschilt van het vinden van de stoffelijke resten van vele andere tientallen gesneuvelden op de Boezingse site.

De opgraving vond plaats op donderdag 2 augustus 2001. In feite dateert de vondst echter van 9 maanden voordien. Op 28 oktober 2000, een miezerige zaterdag, was een beperkte aantal leden van de groep bezig met prospectie in wat tussen eind april 1915 en eind juli 1917 niemandsland was. Aan de zuidwesteljke rand ervan, dicht bij de eerste Britse linies, stootte mede-Digger Johan Verbeerst op een metalen voorwerp. En dat bleek dit keer niet een granaatsplinter te zijn, maar voorwaar de rand van een Britse helm !

In se zal zo'n vondst op een W.O.I-slagveld niet zo uniek lijken. In dit geval echter wel. De reden ? In de drie à vier jaar dat onze groep actief is op de Boezingse kanaalsite werd slechts heel uitzonderlijk een (Britse) helm aangetroffen : hooguit een drietal keren, overigens niet gerelateerd aan stoffelijke resten. De verklaring is dat de ergste vijandelijkheden op deze site zich voordeden in 1915, toen de helm nog niet deel uitmaakte van de Britse uitrusting. Het voorwerp alleen al trok dus meteen onze aandacht. Wat echter nog meer onze aandacht trok, was de vondst - onmiddellijk daarop, in de ondersteboven en enigszins schuin liggende helm, van wat een … schedel bleek te zijn.

Foto 1 - 28 oktober 2000:

een Britse helm met schedel. Het opvallende begin van wat 9 maand later wel een speciale vondst zou blijken.

Na enig overleg werd overeengekomen het zoeken naar meer eventuele resten van een gesneuvelde niet verder te zetten. Immers, slechts een viertal leden van de groep waren aanwezig. Patrick Van Wanzeele, die zonder uitzondering de verantwoordelijkheid en leiding neemt wanneer het om het blootleggen van menselijke resten gaat, was door omstandigheden evenmin van de partij. Het was daarenboven reeds vrij laat in de namiddag en het duister begon reeds te vallen. De kans dat de politie zoals de procedure vereist zonder enige moeite meteen zou kunnen uitrukken was daardoor ook eerder gering. Op de koop toe was het druilerige weer veranderd in een onaangename motregen. Van een degelijke opgraving volgens de voorschriften zou m.a.w. niets terechtkomen.

In zo'n geval wordt de opgraving dan binnen de kortste keren hervat. Van deze regel zou hier echter bewust afgeweken worden. Het zag er immers naar uit dat de vindplaats de eerstvolgende dagen herschapen zou worden in een modderpoel, wegens de samenstelling van de bodem (zware kleigrond) en aard van het terrein (licht hellend). Een degelijke opgraving zou uitgesloten zijn. En dat de opgraving strikt volgens alle voor waarden diende te gebeuren, was duidelijk. De vondst van een Britse helm liet namelijk toe nog iets anders te veronderstellen. En dan van relatief groot belang. Deze helm wees immers op de oorlogsjaren 1916-1917. En wees zodoende meteen ook op de mogelijkheid dat bij de eventuele resten een … identificatieplaatje zou kunnen worden gevonden ! In die periode - na de Slag aan de Somme (juli 1916) - waren de metalen 'dog tags' immers in gebruik gekomen. Van de vele tientallen resten van soldaten die op de kanaalsite aangetroffen waren, bijna uitsluitend gevallen in 1915, was er nog nooit een (Britse) gesneuvelde geïdentificeerd. Precies door die afwezigheid van metalen naamplaatjes. Zou het kunnen dat in dit geval … ?

Een andere belangrijke reden waarom de opgraving eerstdaags niet hervat zou worden was echter ook de geruststelling en zekerheid dat dit (noordelijk) stuk van de Boezingse industriezone niet meteen bedreigd was door nakende bouwactiviteit : het perceel zou zeker niet in de eerste 2 jaar of meer bebouwd worden. Dus werd ervoor gezorgd dat de resten onaangeroerd zouden blijven, en werd voorgenomen verder te graven op een later tijdstip in gunstiger omstandigheden.

En die omstandigheden waren heel opportuun in de daarop volgende zomer. Vanaf het voorjaar van 2001 waren wij immers in contact met BBC-producer John Hayes-Fisher in verband met een mogelijk programma over de Boezingse kanaalsite. De voor de zomer geplande opgraving van wat mogelijk de resten van een Britse gesneuvelde zouden kunnen zijn, leek een bruikbaar element in het programmaconcept. Niet zonder nadruk schrijven we hier : wat mogelijk de resten zouden kunnen zijn …! Immers, die druilerige zaterdagavond eind oktober 2000 was er dus niet gezocht geweest of de vermoedelijke resten substantieel waren. Hoe vaak was het immers al niet gebeurd dat aangetroffen resten slechts heel fragmentarisch waren (voornamelijk door obusinslagen achteraf). Zodanig zelfs dat meer dan eens de vraag kon worden gesteld of we in dat soort gevallen wel met een "persoon" te maken hadden.

Hoe dan ook, de opgraving van wat dus een Britse gesneuvelde zou kunnen zijn, werd gepland op donderdag 2 augustus. In aanwezigheid dus van de BBC-camera. Vooraf werd de politie (onze contactman 1WM Raoul Duquesne) geïnformeerd. Hij zou volgens de geijkte procedure de opgraving bijwonen voor het proces-verbaal, zoals ook reeds vele malen voordien gebeurd was.

Foto 2 - 2 aug. 2002

Plaats van opgraving : het meest noordelijke deel van de Boezingse site. Niet bedreigd door nakende bouwactiviteit. De opgraving van de reeds eind oktober 2001 gelokaliseerde resten is zojuist begonnen.

 

Foto 3

Reeds van bij de aanvang is Rijkswachter R. Duquesne (links) aanwezig. De producer en cameraman en klankman zijn klaar voor de start van de opnames. Zal de voorheen reeds gelokaliseerde helm met schedel leiden tot de opgraving van substantiëlere resten ? Dat is de vraag die iedereen zich stelt.

Reeds even voor 11 uur wordt op die donderdag een aanvang genomen met de voorbereiding. De vindplaats wordt gemarkeerd met blauw-witte politielinten en de bovenlaag wordt vierkant afgegraven (ongeveer 2 m x 2 m), ongeveer anderhalve spade (0,5 m) diep. In tegenstelling tot de moerassigheid van een half jaar geleden is de bovenlaag na een periode van droogte nu behoorlijk hard geworden, wat het werken zeker niet vergemakkelijkt. Een halve meter onder het grasniveau wordt de helm weer aangetroffen. Een drietal man van de groep concentreren zich op de gesneuvelde, terwijl Patrick en Piet zich richten op een ander signaal, slechts anderhalve meter verwijderd. Daar werd immers ook metaal gedetecteerd. En … tot onze verbazing blijkt ook daar op geringe diepte een helm aanwezig te zijn ! Op beide plaatsen zal die namiddag gelijktijdig verder gewerkt worden.

De eerstgenoemde gesneuvelde (in onze registratie zal hij het nummer 124 krijgen) blijkt inderdaad beduidend meer dan alleen maar wat fragmentarische resten te zijn. In de loop van de namiddag komen centimeter na centimeter de resten bloot te liggen van een volledig intact skelet. De soldaat ligt op de rechterzijde, met het gezicht neerwaarts gericht (hoewel dat op de foto's er anders uitziet), in de helm.

Onder de voorwerpen die bij de resten worden aangetroffen, bevinden zich een gebroken pijp, een scheerborstel, een lepel (zonder stamnummerinscriptie), een jodiumampulle, een stuk tandenborstel, resten van een gasmasker, een zakmes, een spiegeltje, gespen van diverse grootte, een pikhouweeltje, een blauwe drinkfles, enkele gebroken potloden. Enige opwinding is er wanneer twee insignes gevonden worden, allebei Royal Welsh Fusiliers (foto 4). Maar dat waar iedereen naar uitkijkt, wordt niet gevonden : geen naamplaatje… Deze arme stakker zal niet geïdentificeerd worden. Zijn naam staat op de Menenpoort, en zal er blijven staan.

Foto 4 - De twee RWF-insignes gevonden bij de resten van nr. 124 bevestigen het vermoeden dat we te maken zouden hebben met een gesneuvelde van eind 1916 - eerste helft 1917. Enkele bataljons van de Royal Welsh Fusiliers lagen inderdaad in de eerste helft van 1917 op deze site in het noordeinde van de Ieperse Salient.

 

 

Foto 5 - De foto die de pers haalde in de periode voorafgaand aan de uitzending van The Forgotten Battlefield. Tot 85 jaar na de gruwel van de Grote Oorlog ongeweten rustend op amper twee voet onder het gras. En nu opgegraven, om later bijgezet te worden op een militaire begraafplaatsen bij zoveel andere kameraden. (foto John Hayes-Fisher)

Terzelfdertijd worden door Patrick en Piet vlakbij de resten verder blootgelegd van de soldaat die in onze registratie het nummer 125 zal krijgen. De resten liggen in vergelijking met 124 minder geordend. Enkele delen ontbreken, zoals de voeten. Deze gesneuvelde ligt op de linkerzijde.

Foto 6

Patrick Van Wanzeele (onderaan) en Piet Demeester concentreren zich op de opgraving van de tweede Fusilier.



Foto 7

De resten van nr. 125. Bij de rechteronderarm zijn een Mills-granaat en een glaasje van een gasmasker te zien. Bij de schouder een aantal Lee Enfield-patronen.

Een plat borsteltje, gespen, knopen, een oliebusje van een Lee Enfield-geweer, stukjes van een riem, een stuk van een lepel, een stuk van een witte stenen pijp, een zakmes, twee glazen van een gasmasker, patronen, een ovalen doosje dat bij het openen tabakssnuif blijkt te bevatten (foto 8).

Foto 8

Een doosje tabakssnuif …

Geopend na 85 jaar …

Zal hier dan evenmin een dog tag of identificatieplaatje aangetroffen worden ? De gevonden items worden nochtans persoonlijker. Op een bepaald moment wordt wat rest van een klein portemonneetje blootgelegd. Erin : enkele munten (foto 9). Een oppervlakkig onderzoek ervan toont op een ervan meteen het jaartal 1917. Een bevestiging van de daarnet aangetroffen insignes. In de eerste 7 maanden van 1917 - tot 31 juli - lagen hier immers een viertal bataljons van de Royal Welsh Fusuliers. En inderdaad, kort daarop worden ook bij deze resten twee RWF-insignes aangetroffen.

Foto 9

Zoals wel meer gebeurt, worden ook bij deze gesneuvelde enkele schaarse munten aangetroffen. Geen Britse. Duidelijk muntjen die na the Great War als souvenir meegenomen zouden worden naar huis. Tenzij het lot er anders over beslist. Zoals bij deze Royal Welsh Fusilier …


Al die tijd draait de camera, en volgen producer John en zijn assistente Sophie aandachtig de opgraving. Het is niet de eerste keer dat zij een opgraving bijwonen op de Boezingse kanaalsite. Reeds tijdens vroegere opnames, in mei - juni, zijn zij getuige geweest van het blootleggen van schaarse resten van gesneuvelden, in de Duitse linies. En ook hier blijven zij net zomin als cameraman Julian en klankman David, niet onberoerd bij deze vondst, van twee landgenoten die hier 85 jaar geleden het leven lieten in Flanders Fields… In welke omstandigheden ? Een militaire operatie ? Een trenchraid ? Een observatie-opdracht ? Een gasaanval ? Een obusinslag ? Militair-historicus Paul Reed, die aanwezig is, geeft voor de camera zijn interpretatie van de vondst, op basis ook van de materiële aanwijzingen.

Foto 10

Producer John Hayes-Fisher (links) en productie-assistente Sophie Robinson luisteren hoe militair-historicus Paul Reed voor de camera de vondsten interpreteert.

Ook hij is meteen geboeid wanneer een platte houten borstel tevoorschijn komt. Zijn die krassen in de bovenkant soms initialen ? Er komt wat water aan te pas om de aarde af te spoelen, maar de inkervingen blijken slechts betekenisloze krassen te zijn.

De intense concentratie houdt nu al enkele uren aan. Afgezien van een korte onderbreking door een gelukkig milde zomerse regenbui. Tot plots … een ingehouden triomfantelijke kreet, wanneer Patricks truweeltje een klein ovalen plaatje roest blootlegt. De 'dog tag ! Het naamplaatje ! Het broze ding wordt voorzichtig losgemaakt, en meteen wordt voor de meeste aanwezigen al een mogelijkheid duidelijk waarmee tot dan toe onvoldoende rekening gehouden werd : een naamplaatje, ja, maar zal het ook leesbaar zijn ? (Foto 11.) Het is voor allen duidelijk dat op dit aluminium schijfje van zowat 5 cm lang niet eens te zien is dat er ooit een naam en een stamnummer op gestaan hebben. Enkel wie ooit zoals Patrick en enkele anderen een dog tag in handen gehad heeft, zal dit meteen herkennen.

Foto 11

Het langverhoopte kleinood is uiteindelijk blootgelegd …

Een anticlimax toch wel … En toch blijft de opwinding groot, want wat niet leesbaar is, kan het immers worden. Niet meteen nu, wel later. Ogenblikkelijk wordt telefonisch geïnformeerd hoe het fragiele voorwerp optimaal kan worden bewaard.

Deze woorden worden geschreven 9 maanden na de feiten. Ondertussen weten we dat het naamplaatje op verzoek van het Britse Ministerie van Defensie aan hen bezorgd werd voor verder onderzoek. We weten ook dat dit onderzoek - we hebben geen gegevens over de gebruikte techniek - niet tot een naam geleid heeft. We weten ook dat wij na de uitzending van The Forgotten Battlefield enkele keren het aanbod kregen om het naamplaatje aan de universiteit aan bepaalde onderzoekstechnieken te laten onderwerpen, teneinde toch maar een naam te kunnen ontcijferen, bijv. met een speciale X-stralentechniek. (Een aanbod waarop wij slechts konden antwoorden dat de procedure voorschrijft dat wij alle voorwerpen die bij gevonden resten aangetroffen worden, en dan zeker items die tot identificatie zouden kunnen leiden, bij de opgraving aan de autoriteiten moeten overhandigen, wat wij uiteraard zonder problemen doen. En dat het onze verantwoordelijkheid niet kan zijn de nodige identificatiepogingen te (laten) ondernemen.)

Foto 12

(Toekomstige) leesbaarheid ?

Een anticlimax …

Ook soldaat 125 zal naamloos blijven … Volledigheidshalve voegen wij hieraan toe dat ook andere indirecte middelen ter identificatie zonder resultaat bleven. Andere materiële indicaties (bijv. ingekerfde initialen, een stamnummer) waren er niet. Er kan echter ook opgezocht worden welke soldaten van de RWF-bataljons die in de eerste helft van 1917 op de Boezingse kanaalsite vielen, per twee (of meer) sneuvelden én vermist bleven. Ook deze benadering liet niet toe tot een identificatie te komen: er kwamen immers te veel Royal Welsh Fusiliers daarvoor in aanmerking …

Omdat de waarheid haar rechten heeft, voelen we ons hier moreel verplicht, in de marge, van de gelegenheid gebruik te maken om met de grootste stelligheid afstand te nemen van een bepaalde Britse krant, die expliciet suggereerde dat een van de soldaten (nr. 124) geïdentificeerd was, inclusief een foto bij leven. In het artikel werd zelfs gesteld dat de woordvoerder van onze groep (ook schrijver van dit website-artikel) ervan overtuigd was dat de soldaat in kwestie gesneuveld was op 31 juli 1917. In het telefonisch gesprek met de journalist was nochtans met de grootste nadruk gesteld dat niets, maar dan ook niets, wees op die datum, en dat de soldaat op eender welke dag tussen begin 1917 en eind juli 1917 gesneuveld kon zijn. Niettemin werd de Welsh Fusilier genoemd met name, met foto, en werden zelfs nabestaanden in het artikel betrokken. Wij herhalen het : van dit journalistieke sensationalisme kunnen wij ons niet nadrukkelijk genoeg distantiëren.

In de weken erna werd nog even verder gegraven op deze plaats. Verrassend was dat een halve meter onder de plaats waar de resten gevonden waren, een loopgraaf liep, met duckboards. Er werden overigens resten van (lies)laarzen aangetroffen. In ieder geval liet dit toe te veronderstellen dat bij hun dood de twee Royal Welsh Fusiliers zich in een dichtgeslibde loopgraaf bevonden, of dat ze er na hun dood in terechtkwamen.

Foto 13

Beide Fusiliers werden aangetroffen in deze loopgraaf, die 2 maand later blootgelegd werd.

Ze lagen evenwel niet op de bodem, wat erop lijkt te wijzen dat de loopgraaf van voor hun dood moet dateren.

***

Doordat naamidentificatie onmogelijk bleek, werden de resten dan zoals gebruikelijk wanneer alleen regimentsidentificatie mogelijk is, enkele maanden later door het CWGC vrijgegeven voor herbegrafenis. Die had plaats op Cement House Cemetery (tussen Boezinge-Pilkem en Langemark), 3 km ten oosten van waar de soldaten gesneuveld waren, op 7 mei 2002 om 11.30 uur.

Bij die gelegenheid werden ook de resten van een Rifleman begraven (Rifle Brigade, zeer waarschijnlijk 1st Battalion), gevonden op 15 september 2001 op ongeveer 50 m van de twee Royal Welsh Fusiliers, maar vermoedelijk 2 jaar voordien gesneuveld.

Foto 14

Het insigne bij de resten nummer 135 dat toeliet de gesneuvelde naar regiment (Rifle Brigade) te identificeren. Hij zou op dezelfde plechtigheid bijgezet worden op Cement House Cemetery.

Voor de religieuze plechtigheid, geleid door de Anglicaanse kapelaan Ray Jones van St. George Memorial Church in Ieper, was een delegatie van het regiment van de Welsh Fusiliers overgekomen. Zij legden kransen neer voor hun gesneuvelde kameraden. Hoewel de plechtigheid niet officieel aangekondigd was, ook niet in de media, werd ze toch door een aanzienlijk aantal Britse aanwezigen bijgewoond.

Foto 15

Reverend Ray Jones leidt de begrafenisplechtigheid.

 

Foto 16

Door een delegatie van het Welsh Fusiliers Regiment werden kransen neergelegd.

 

Foto 17

We will remember them …

 


© 2001 The Diggers - Contact
Webmaster